De badkamervraag
Ben jij een meester?
Dat zou ik nooit van mezelf zeggen. Ik heb geen belangstelling voor zo’n soort vraag. Wat ik merk is dat ik, werkende met mensen, heel veel in de wij-vorm spreek. Iemand vertelt zijn verhaal en ik maak er wij van. Dat heb ik nooit verzonnen, daar heb ik nooit over nagedacht. Het gebeurt. En elke vraag waarin ik iets voel dat een vorm van scheiding teweeg zou kunnen brengen, daar gebeurt iets mee, het wordt ons verhaal, ieders verhaal. Dit zou zo’n soort vraag zijn. Ben jij een meester? Ben jij verlicht? De vraag zelf is een vergissing.
Ooit had ik iets heel stellig gezegd. Toen vroeg iemand ‘Hoe weet jij dat allemaal? Gewoonlijk als er een vraag gesteld wordt, dan is er een antwoord in me. Nu dus niet. De vraag viel in een grote stilte. En als er geen antwoord is, ga ik dat niet verzinnen. Na een tijdje ontstond er een en dat was: ik neem de vraag met me mee, ik zal er naar kijken en je hoort het nog. Daarna, thuis, groeide een inzicht. Dit was de goede vraag aan de verkeerde instantie. Want niemand is geïnteresseerd hoe een ander iets weet, ook al doet iedereen alsof. Maar de echte vraag daaronder is: hoe kan ík dit weten? En toen ik dat zag, loste dat dit soort vragen op. Ik ben dat daarna ‘de badkamervraag’ gaan noemen. Als iemand vraagt ‘Ben jij vrij?’, dan stelt hij de badkamervraag. Want hij is niet geïnteresseerd in mijn vrijheid. Hij is geïnteresseerd in zíjn vrijheid. De badkamervraag is de vraag die zijn antwoord vindt in de intimiteit van de badkamer. Dus bij jezelf, kijkend in de spiegel: kan het zijn dat ik vrij ben? En tegen de tijd dat je de vraag vergeet, wel……!
Wat wil je met mensen delen?
Waarheid. Dat is niet zomaar een woordje. De waarheid blijkt waar te zijn voor iedereen. Het is de diamant. En de Cursus is voor mij kennelijk de vorm waarin die diamant gedeeld wordt.
Als je niet werkt, wat doe je dan?
Ik mag graag in een restaurant zitten, wandelen, fietsen, kanoën. Dat zijn mij heel dierbare dingen. Ik mag tegenwoordig ook graag niets doen. Gewoon zitten op het dakterras. Dat komt er niet zoveel van. De dagen zijn gevuld. Wat eigenlijk nog steeds een sluitpost is, en waarvan ik voel dat het verandert, dat is de relatie met mijn vele ‘dierbaren’: familie, vrienden. Ik heb dat beleefd als iets dat niet helemaal uit de verf kwam, omdat het werk uit de verf kwam. Kennelijk zijn er interne prioriteiten waardoor ik zo goed als altijd beschikbaar ben voor werk en de rest van de tijd blijft over voor vriendschappen, ontmoetingen, familie. Dat voelt niet goed. Een tijd lang heb ik mijn werk heel vreugdevol gevonden, maar te veel van het goede. Dat laatste is over. Ik verwacht dat er op dezelfde manier een situatie ontstaat, waarin ik tijd heb voor relaties, puur menselijk, compleet met koetjes en kalfjes. Dat is de compleetheid die zich nog verder uit kan drukken.